P.O. van der Chijs

 

Introductie
Hoe 'Van der Chijs' ontstond
Herdruk info
levensbericht
pijltje (183 bytes) pelgrimage
Brabant en Limburg
Graven en Hertogen van Gelderland
Heeren en steden van Gelderland
Heeren en steden van Overijssel
Friesland Groningen en Drenthe
Graafschappen Holland en Zeeland
Bisschoppen, van de heerlijkheid en de stad Utrecht
Leenen van de hertogdommen Brabant en Limburg
De munten der Frankische- en Duitsch-Nederlandsche Vorsten
Naar de startpagina

Een pelgrimage.

Pieter Otto van der Chijs (1802-1867)

Kees Thomassen, met toestemming overgenomen uit Nieuw Letterkundig Magazijn 21 (2003), p. 19-21.
Uitgave van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde http://maatschappijdernederlandseletterkunde.nl/nlm/thomassen.html

Het thema van de Boekenweek 2003 was een goede stimulans om de doden weer eens met een bezoek te vereren en daar komt in Leiden maar één plek voor in aanmerking: de Groenesteeg. Een intieme begraafplaats van nog geen achthonderd graven, aangelegd op een stuk van de vroegere stadswal ter hoogte van de Zijlsingel.

Een mooie gelegenheid ook om eindelijk eens het boekje aan te schaffen dat Ingrid Moerman hieraan wijdde: Groenesteeg. Een historische begraafplaats in Leiden (Leiden 2000).1 Naast een inleiding en een alfabetische namenlijst van alle lijken die hier vanaf 1813 tot 1976 ter aarde zijn besteld, bevat de publicatie ook een aantal korte biografische notities van gedenkwaardige personen. Hieronder de gebruikelijke bestuurderen, predikanten en kunstenaars, maar – Leiden verloochent zich niet – ook geleerden, dekenfabrikanten en jeneverstokers. Het streven was kennelijk niet schools alle beroemdheden naar voren te halen maar eerder de diversiteit in de bevolking van de begraafplaats te illustreren: geen Matthijs Siegenbeek dus, wel Anna Cornelia Carbentus, die in 1853 ene Vincent van Gogh ter wereld bracht.

Het zij zo, maar wat mij hogelijk frustreert, is dat er geen biootje van af kon voor mijn favoriete lijk, rustend in vak F, zandgraf 242: Pieter Otto van der Chijs (Delft, 22 augustus 1802 – Leiden, 4 november 1867). Het schrijven ervan zou niet moeilijk zijn geweest, want in de Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Bijlage tot de Handelingen van 1869 (Leiden 1869) neemt J.F.G. Meijer negentien pagina’s de tijd om ons meer over ’s mans faits et gestes te vertellen dan wij willen weten, traditiegetrouw afgesloten met een ‘Lijst der geschriften’, die vier bladzijden druks beslaat.

Zou een stukje over Van der Chijs thuishoren in de rubriek ‘Vergeten leden’, die de redactie van het Letterkundig Magazijn al menig keer van een dreigend kopijgebrek heeft gered? Ik geloof van niet, want ‘vergeten’ is een relatief begrip. Goed, u zegt die naam waarschijnlijk niets, maar u bent ook geen numismaat. Zoals elk vak zijn baanbrekers heeft, de al dan niet bescheiden ploeteraars die voor het eerst alle kennis op een terrein bijeen trachten te brengen, zo heeft de numismatiek Van der Chijs. In de Verhandelingen uitgegeven door Teyler’s Tweede Genootschap publiceerde hij van 1851 tot en met 1866 in negen delen een uitputtend overzicht van alle tot dan bekende Nederlandse munten en penningen, met afbeeldingen in steendruk. Een ook in typografisch opzicht bewonderenswaardige onderneming, waarvoor Joh. Enschedé en Zn. te Haarlem speciaal gotische letters en diverse tekentjes in een onwaarschijnlijk klein corps goot. Voeg daarbij het Tijdschrift voor Algemeene Munt- en Penningkunde dat hij in 1833 opzette en zijn benoeming in 1835 tot directeur van het na de dood van C.J.C. Reuvens (ook Groenesteeg!) opgerichte universitaire Penningkabinet, dan moge duidelijk zijn dat – ook al is zijn werk door de tijd achterhaald – totale vergetelheid nimmer Van der Chijs’ deel zal zijn.

wpe15.jpg (30774 bytes)
Het graf van Van der Chijs, zomer 1976. Foto Kees Thomassen.

Ook ik ben geen numismaat. Waarom dan toch die herhaalde pelgrimage naar de Groenesteeg? Dat heeft alles te maken met een heel andere activiteit van Van der Chijs. Toen in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid werd opgericht, die tot doel had het grote aantal bedelaars in de steden terug te dringen door hun een kans op een menswaardig bestaan te bieden in op te richten kolonies, was de zestienjarige Pieter direct enthousiast. De aankoop van munten en penningen moest even rusten, het zakgeld werd aangewend voor de aanschaf van een obligatie in de Maatschappij, een abonnement op het door haar uitgegeven tijdschrift De Star en een reisje naar de eerste gerealiseerde kolonie Frederiksoord. Zijn betrokkenheid bij het nobele streven van de club leidde ertoe dat hij in 1826 werd aangezocht als redactiesecretaris van De Star, dat in 1827 werd voortgezet als De Vriend des Vaderlands.2 De bekende truc om een teruglopend aantal abonnees op te krikken door aan het oude de frisheid van limoenen en aldus de schijn van nieuw mee te geven. Dat redacteurschap was bepaald geen sinecure, maar er stond wel wat tegenover. Star en Vriend werden voor eigen risico uitgegeven door de Amsterdamse boekhandelaar Joh. van der Hey en Zoon. De Maatschappij kreeg voor de geleverde kopij een honorarium dat gerelateerd was aan het aantal abonnementen: voor driehonderd verkochte exemplaren f 300 en voor elke honderd meer nog eens f 300. Het honorarium van Van der Chijs bedroeg een kwart van het Maatschappijhonorarium. Het eerste jaar van het bestaan van De Vriend was hij spekkoper: de in 1827 afgezette duizend exemplaren krikten zijn bescheiden inkomen met maar liefst f 600 op. Tot verdriet van Van der Chijs waren de limoenen al snel uitgewerkt en daalde de vergoeding in krap zes jaar tot een luttele f 214,50. Reden voor een jaarlijks terugkerend gesteggel tussen hem en J.P. Ciriaci, zijn contactpersoon bij de Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan zijn voorzet uit 1829 te mooi is om niet te citeren:

Mijn geheele inkomen alhier, zonder eenige de minste emolumenten (ik zoude wel van negatieve kunnen spreken) beloopt slechts f 1.000 dus kan UWelEd. wel nagaan dat mij iedere vermeerdering van inkomen hoogst welkom zoude zijn, ten einde aan mijn verlangen om met het meisje mijner keuze vereenigd te worden, te kunnen voldoen.

wpe14.jpg (16214 bytes)
De Vriend des Vaderlands De Vriend des Vaderlands in 1834.

Met het meisje (Helena Catharina Maas) kwam het op 4 augustus 1830 allemaal prima in orde, maar de Permanente Commissie ging niet verder dan vanaf 1833 het honorarium op f 250 te fixeren, steevast met de toevoeging ‘zonder consequenties voor een volgend jaar’, waartegen Van der Chijs weinig meer kon doen dan in het briefje waarmee hij de ondertekende kwitantie voor het honorarium terugzond gemelijk te reppen van ‘mijn zuur verdiend gewordene honorarium’.

Waartoe die uitweiding over dat honorarium? Heel simpel. Toen Van der Chijs doorhad dat er niets extra’s in het vat zat, moet hij gedacht hebben: dan maar minder tijd in de klus steken. Onder de Leidse studenten die in 1831 zijn huis frequenteerden, bevond zich ook Jan Pieter Heije, die kort daarna als medicus te Amsterdam goed werk zou leveren in de strijd tegen de cholera, maar die wij natuurlijk vooral nog kennen dankzij evergreens als ‘Zie de maan schijnt door de bomen’, ‘De zilvervloot’ en ‘Het karretje op de zandweg reed’. Heije was maar graag bereid om door levering van kopij de redactiesecretaris van een deel van zijn zorgen over De Vriend af te helpen. Sterker nog, hij introduceerde daarnaast Aernout Drost, E.J. Potgieter en R.C. Bakhuizen van den Brink als vaste leveranciers. Scribenten die in 1835 zouden worden opgevolgd door de lichting Beets en Hasebroek c.s. De gevolgen waren in meerdere opzichten dramatisch. Van oudsher waren de lezers gewend om naast uitgebreide verslagen over het wel en wee van de Maatschappij van Weldadigheid in Star en Vriend hoofdzakelijk artikelen op het terrein van de staathuishoudkunde, geschiedenis, godsdienst, onderwijs, landbouw en veeteelt, armenzorg, en plaats- en streekbeschrijvingen aan te treffen. Vanaf 1832 begint de rubriek letterkunde echter disproportioneel te stijgen: schommelde deze sinds 1827 rond de twaalf procent, in 1834 is het aandeel bijna veertig procent. En wat voor letterkunde! Niet de gezapige kritiek die in Yntema’s Vaderlandsche Letteroefeningen werd gedebiteerd, maar stukken waaruit onmiskenbaar een jeugdig elan, een wens tot vernieuwing sprak. Goed, het aandeel van Bakhuizen in het geheel was zeer bescheiden. Heije was wel heel enthousiast maar overschreeuwde zichzelf vaak. De weloverwogen kritieken van Drost hebben we echter indirect toch maar mooi aan Van der Chijs te danken. Door het ontijdig overlijden van Drost is de belofte die uit zijn Vriend-stukken sprak helaas nooit waargemaakt, maar dit geldt gelukkig niet voor Potgieter. Had deze niet in De Vriend (en later in De Muzen) zijn eerste schreden op het glibberige pad van de literaire kritiek kunnen zetten, dan is het nog maar de vraag of hij zich in 1837 capabel genoeg geacht zou hebben om mede aan de wieg van De Gids te staan. Dezelfde Gids overigens die anno 2003 in de honderdzesenzestigste jaargang (!) in het kader van de Boekenweek een themanummer Ten grave. Grafredes voor bewonderde of gehate, werkelijke of fictieve, dode of levende schrijvers, denkers, politici, wetenschappers, romanpersonages of andere figuren uitbracht. Zou het niet passend en billijk zijn geweest als daarin ook een rede had gestaan voor de bewoner van Groenesteeg, vak F, zandgraf 242?


Noten

1. Een – helaas sterk ingekort – derivaat van: Groenesteeg. Geschiedenis van een Leidse begraafplaats. Onder redactie van Ingrid W.L. Moerman en R.C.J. van Maanen. Utrecht 1994 (Leidse historische reeks, 10).
2. Mijn afstudeerscriptie uit alweer 1977 handelde over het letterkundige tijdschrift De Muzen. In dat kader werden ook De Star en De Vriend des Vaderlands bestudeerd. Voor notenfetisjisten: er bevindt zich een exemplaar in het scriptiearchief van de Vakgroep Nederlands te Leiden.